





|
|
|
Het karakter
De Sheltie is een opgewekte, intelligente
hond. Hij is geïnteresseerd in alles wat er om hem heen gebeurt en bemoeit zich
overal mee. Het is voor hem heel belangrijk te weten, dat hij gewaardeerd wordt.
Daarom probeert hij steeds zijn baas een plezier te doen. Hij moet daartoe zeker
de gelegenheid krijgen anders zoekt hij er zelf één. Eén van de van nature
aangegrepen gelegenheden vormt het waken. Wat de Sheltie daarbij te kort komt
aan grootte, wordt gecompenseerd door zijn luidruchtigheid. Met een goede
opvoeding is die luidruchtigheid wel wat in te dammen, maar dit vereist veel
geduld en doorzettingsvermogen. Een Sheltie staat gereserveerd ten opzichte van
vreemden. Deze gereserveerdheid mag niet verward worden met angst. Een echte Sheltie kijkt de kat uit de boom en blijft op een afstand, totdat hij ziet, dat
de vreemden geaccepteerd worden door zijn baas. Hij beslist zelf of hij naar hen
toe zal gaan. Zo is ook een goede begeleiding bij de kennismaking met kinderen
van groot belang. Niet alle pups komen immers bij de fokker met hen in contact.
Deze begeleiding is noodzakelijk om te voorkomen, dat gereserveerdheid omslaat
in nerveus gedrag. Een Sheltie heeft het nodig de kameraad van zijn baas te
zijn. Hij is nergens gelukkiger dan bij "zijn mensen" en kwijnt weg als hij
buiten gesloten wordt. Dit houdt in, dat hij niet tot zijn recht komt in een
kennel. Veel plezier beleeft hij aan gedrag- en gehoorzaamheidsoefeningen of
behendigheidstraining. Ze bieden hem de mogelijkheid samen met zijn baas iets te
ondernemen en hem te plezieren. Een Sheltie moet op een evenwichtige wijze
opgevoed worden. Hij is heel gevoelig voor beloning en het is dan ook beter hem
te stimuleren op een positieve manier dan hem steeds te moeten bestraffen. Als
hij te hard bejegend wordt, wordt hij onzeker. Door deze spanning zal hij het
niet meer kunnen begrijpen, wat er van hem verlangd wordt en zijn vertrouwen zal
slechts met veel moeite herwonnen kunnen worden. Een Sheltie is een ideale
kameraad voor iedereen, die op een vriendschappelijke wijze met zijn hond kan
omgaan.
Rasstandaard
Algemene verschijning
Een kleine, langharige werkhond van grote schoonheid, in geen enkel opzicht lomp
of grof. Symmetrische belijning zo, dat geen enkel deel van de hond buiten
verhouding is, als men de hond in zijn geheel beschouwt. De overvloedige vacht,
manen en kraag, de lijn die het hoofd vormt en de lieve uitdrukking vormen met
elkaar het ideale beeld.
Karakteristieke kenmerken
Oplettend, vriendelijk, intelligent, sterk en actief.
Temperament
Aanhankelijk en toegewijd voor de eigenaar, afstandelijk tegenover vreemden,
nooit zenuwachtig.
Hoofd en schedel
Een zuiver belijnd hoofd, dat van boven of van opzij gezien een lange stompe wig
vormt, die van het oor naar de neus smaller wordt. De breedte van de schedel
moet evenredig zijn aan de lengte van de schedel en aan de lengte van de
voorsnuit, waarbij het geheel in verhouding tot de maat van de hond bekeken moet
worden. De schedel moet vlak zijn, matig breed tussen de oren, terwijl de
achterhoofdsknobbel niet mag uitsteken. De wangen vlak en vloeiend overgaand in
een mooi ronde voorsnuit. De schedel en de voorsnuit moeten van gelijke lengte
zijn, gemeten vanuit het binnenste van de ooghoek. De bovenkant van de schedel
moet parallel lopen met de bovenkant van de snuit, met een lichte, maar
duidelijke stop. Neus, lippen en oogranden zwart. De uitdrukking, die zo
kenmerkend is voor het ras, wordt verkregen door het volmaakte evenwicht en
samengaan van schedel en voorsnuit, de vorm, kleur en plaatsing van de ogen en
juist geplaatste en gedragen oren.
Snuit: De kaken gelijk aan elkaar, welgevormd en sterk met een goed ontwikkelde
onderkaak. Lippen strak. Gebit gaaf met een volmaakte, regelmatige en compleet
scharende beet, dat wil zeggen; het bovengebit moet het ondergebit dicht
overlappen en met de kaken een rechte hoek vormen. Een compleet gebit met 42
juist geplaatse tanden en kiezen is hoogst gewenst.
Ogen: Middelmatig groot en schuin geplaatst, amandelvormig. Donkerbruin, behalve
bij blue merles, waar een of beide ogen blauw mogen zijn of met blauwe vlekjes.
Oren: Klein, matig breed bij de aanzet, mooi dicht bij elkaar geplaatst boven op
de schedel. In rust naar achter gelegd; bij aandacht naar voren gebracht en half
opgericht gedragen met de tip naar voren vallend.
Hals
Gespierd, goed gebogen, lang genoeg om het hoofd trots te kunnen dragen.
Voorhand
De schouders zeer goed naar achter geplaatst. Bij de schoften worden zij slechts
door de wervels gescheiden, maar de schouderbladen moeten schuin naar buiten
aflopen, zo, dat de ribben de gewenste welving kunnen hebben. Schoudergewricht
goed gehoekt. Bovenarm en schouderblad ongeveer gelijk in lengte. De afstand
schoft tot elleboog en elleboog tot grond moet gelijk zijn. Het voorbeen moet
van voren gezien recht zijn, gespierd en goed gevormd met sterke botten. Polsen
sterk en soepel.
Lichaam
Van de schouderpunt tot aan het laagste punt van het kruis een klein beetje
langer dan de schofthoogte. Borst diep, tot de punt van de elleboog reikend.
Ribben goed gewelfd, terwijl de onderste helft naar beneden toe smal toeloopt,
zodat de schouders en voorbenen zich vrij kunnen bewegen. Rug recht, de lenden
sierlijk gelijnd, het kruis geleidelijk naar achter aflopend.
Achterhand
De dijen breed en gespierd, terwijl de botten van de dijbeen met het bekken een
rechte hoek vormen. Het kniegewricht heeft een duidelijke hoeking, het
spronggewricht is strak belijnd, scherp gebogen, fraai naar beneden aflopend,
met sterke botten. Het spronggewricht moet van achter gezien recht zijn.
Voeten
Ovaal, de zolen goed gevuld, de tenen gebogen en dicht bij elkaar.
Staart
Laag aangezet, de staartwervels lopen puntig toe en reiken tenminste tot aan het
spronggewricht. Overvloedige beharing en licht naar boven gebogen. Mag bij
beweging iets hoger gedragen worden, maar nooit boven de ruglijn uitkomen. In
geen geval geknikt.
Gangwerk
Lenig, vloeiend en sierlijk, met stuwing uit de achterhand, de hond moet met zo
weinig mogelijk inspanning een zo groot mogelijk oppervlak van de grond beslaan.
In telgang lopen, breien, rollen of een stijf gangwerk, waarbij de benen stijf
en steil op en neer worden bewogen, is hoogst ongewenst.
Vacht
Dubbel, bovenvacht met lang, hard en recht haar, ondervacht zacht, kort en
dicht. Kraag en manen zeer overvloedig, de voorbenen fraai bevederd. De
achterbenen boven het spronggewricht rijkelijk met haar bedekt, onder het
spronggewricht met kort haar. Snuit en voorhoofd met kort haar. Exemplaren met
kortharige vacht hoogst ongewenst.
Kleur
Sables: Effen of met zwarte haarpunten, elke kleurnuance tussen licht
goudkleurig tot mahoniekleurig, maar wel warm van tint. Wolfskleurig sable en
grijs sable ongewenst.
Driekleuren: Diep zwart op het lichaam, bij voorkeur met warmbruine aftekening.
Blue Merles: Helder zilverkleurig blauw, zwart gemarmerd en met zwarte vlekjes.
Bij voorkeur met warmbruine aftekening, maar het ontbreken daarvan wordt niet
als fout gerekend. Zware zwarte platen, lei- of roestkleurige tinten in boven-
of ondervacht hoogst ongewenst; de algemene indruk moet blauw zijn.
Zwart-Wit en zwart-bruin: zijn ook erkende kleuren.
Witte aftekeningen mogen (behalve bij zwart-bruin) voorkomen op de bles, de
kraag, en de borst, de poten en de staartpunt. De voorkleur gaat uit naar het
aanwezig zijn van alle witte aftekeningen of sommige ervan, maar het ontbreken
van witte aftekeningen behoort niet gestraft te worden. Witte platen op het
lichaam zijn hoogst ongewenst.
Maat
Ideale schofthoogte: Reuen 37 cm (14 1/2 inch); Teven 35,5 cm (14 inch). Meer
dan 2 1/2 cm
(1 inch) groter of kleiner is hoogst ongewenst.
Fouten
Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de
beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin
de fout zich voordoet.
Opmerking
Reuen dienen twee normaal ontwikkelde en volledig in het scrotum ingedaalde
testikels te hebben.
Top
De juiste
maat
Bij geen enkel ander ras wordt er zoveel
gezeurd over de ideale maat dan bij shelties. Die sheltie is te klein, de ander
dan weer te groot.
Volgens de standaard zijn de maten: 37,5 cm
bij de reuen en 35,5 cm bij de teven. Van deze maten mag men 2,5 cm afwijken
naar boven of beneden. Serieuze fokkers doen al het mogelijke om door onderzoek
van de voorouders binnen de lijn waarin zij fokken, shelties te kweken die
hieraan voldoen, doch dit blijkt niet altijd even gemakkelijk. Zelfs binnen
hetzelfde nestje kunnen er grote verschillen zijn. Natuurlijk mogen de
afwijkingen niet zo groot zijn dat je bijna een collie of vlinderhondje hebt.
Hieronder volgen wat formules om de grootte
te voorspellen tijdens het opgroeien.
De eerste formule is: neem het gewicht van 8
weken, trek daar het geboortegewicht van af en deel dit getal door het aantal
dagen dat de pup oud is: 56 dus. Als de uitkomst om en nabij de 35 ligt heb je
grote kans dat de pup binnen de standaard maat blijft.
De tweede formule is: Trek het gewicht van de
5e week af van dat van de 8e week. Als het verschil niet boven de 900 gram uit
komt heb je grote kans dat de pup binnen de standaard maat blijft.
De derde formule is een "meet-formule".
Als de schofthoogte van de pup in de 8e week tussen de 20 en 22 centimeter is,
zal hij/zij waarschijnlijk binnen de standaardmaat blijven.
Een pup van 3 maanden zal nog rond de 10 cm groter worden. (-/+ 2 cm).
Een pup van 4 maanden zal nog ongeveer 6 cm groeien (-/+ 2 cm).
Een pup van 5 maanden moet rond de 35 cm groot zijn wil hij/zij binnen de
standaard maat blijven.
Top
|
|